Verhuur met BTW: Wat bij verkoop van het gebouw en geregistreerde huurovereenkomst?

4 December 2019

Sinds 1 januari 2019 is het mogelijk om nieuw of gerenoveerde gebouwen te verhuren met BTW, hetgeen de mogelijkheid geeft om de geïnvesteerde BTW in aftrek te brengen. Hierbij is echter een herzieningstermijn van maar liefst 25 jaar van toepassing. Wat als je binnen deze termijn wenst te verkopen?

Herzieningstermijn van 25 jaar

In principe zal bij de verkoop van het gebouw een herziening moeten worden doorgevoerd van de initieel in aftrek gebrachte BTW. Door de verkoop wordt immers het bedrijfsmiddel definitief onttrokken uit het vermogen van de onderneming, waardoor eveneens het recht op aftrek verdwijnt. Hierdoor dient het nog niet aan herziening onderworpen gedeelte van de oorspronkelijk aftrokken BTW op de aankoop- of oprichtingskosten van het gebouw te worden herzien.

Toch geen herziening!

Maar wat indien er een lopende (geregistreerde) huurovereenkomst bestaat die nog niet is afgelopen? Dan blijft deze verder lopen onder het BTW-stelsel. Deze overeenkomst is immers tegenstelbaar aan de overnemer van het gebouw zodat laatstgenoemde onder dezelfde voorwaarden zal moeten verder verhuren.

In dergelijk geval zou een herziening onrechtvaardig zijn. Deze situatie is immers vergelijkbaar met de overdracht van een bedrijfsafdeling die overigens ook is vrijgesteld van BTW. De BTW-administratie heeft intussen bevestigd dat in dergelijke gevallen geen herziening moet plaatsvinden.

Dit houdt wel in dat de eventuele herzieningen van de initieel door de verkoper in aftrek gebrachte BTW voortaan dient te worden verricht in hoofde van de nieuwe eigenaar van het onroerend goed. Indien laatstgenoemde het onroerend goed na aankoop, maar tijdens de herzieningstermijn van 25 jaar, bestemt voor een niet aan btw onderworpen activiteit zal hij een deel van de initieel door de verkoper in aftrek gebrachte btw moeten terugstorten.

De kracht van QPS Accountants? Doordringen tot de kern van uw KMO en zorgen voor een helder inzicht.

Bekijk ook onze andere recente blogberichten en ontdek meer expertise

De dwingende bepalingen van het Wetboek Vennootschappen en Verenigingen

De dwingende bepalingen van het Wetboek Vennootschappen en Verenigingen

Op 1 mei 2019 trad het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) in werking. Indien uw vennootschap dateert van voor deze datum en u niet koos om uw vennootschap reeds aan te passen aan de nieuwe wetgeving, dient u vanaf 1 januari 2020 rekening te houden met de dwingende bepalingen van dit wetboek. Statutaire bepalingen die in strijd zijn met deze dwingende regelgeving worden voor “niet-geschreven” gehouden. Hieronder vindt u enkele voorbeelden.

Vergeet ook voor 2019 uw minimumbezoldiging als bedrijfsleider niet!

Vergeet ook voor 2019 uw minimumbezoldiging als bedrijfsleider niet!

Sinds 2018 dient iedere kleine vennootschap gedurende het boekjaar aan minstens één bedrijfsleider (natuurlijke persoon) minstens 45.000 euro bruto bezoldiging toe te kennen om van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting te genieten. Als het resultaat van de vennootschap kleiner is dan 45.000 euro dient de bruto bezoldiging minimaal gelijk te zijn aan het belastbaar resultaat.