Geen carensperiode meer voor zelfstandigen, wel vaderschapsverlof

28 October 2019

Wie als zelfstandige niet kon werken wegens ziekte of ongeval, moest tot voor kort rekening houden met de carensperiode. Dit behoort tot het verleden. Daarenboven werd het vaderschapsverlof voor zelfstandigen ingevoerd. Tweemaal goed nieuws dus!

Wat is de carensperiode?

Bij ziekte of ongeval heeft men als zelfstandige, net als gewone werknemers, recht op een arbeidsongeschiktheids- of invaliditeitsuitkering. Deze uitkering kreeg men niet vanaf de eerste dag onbekwaamheid. Er was een wachtperiode van één maand, dewelke sedert 2018 werd verkort naar 2 weken. Deze wachtperiode noemt men de carensperiode.

Het duurde dus twee weken alvorens men een uitkering kon genieten maar deze carensperiode werd sinds 1 juli 2019 afgeschaft.

Hoe werkt het nu?

Bij een arbeidsongeschiktheid van minstens 8 dagen, kan men vanaf de eerste dag een uitkering genieten, weliswaar enkel bij een tijdige aangifte en mits alle sociale zekerheidsverplichtingen werden nageleefd. Je hebt een attest nodig van een dokter dat binnen de 7 dagen aan het betrokken ziekenfonds dient te worden bezorgd.

Hoezo vaderschapsverlof voor zelfstandigen?

Tot en met april 2019 was het enkel mogelijk om als werknemer betaald vaderschapsverlof te genieten. Vanaf 1 mei 2019 hebben zelfstandigen net als kersverse vaders in loondienst recht op 10 dagen vaderschaps- of geboorteverlof. De uitkering die hieraan gekoppeld is, bedraagt 81,62 euro per verlofdag, wat neerkomt op 816,20 euro in totaal. Deze dagen kunnen op dezelfde wijze - aaneensluitend of gespreid - opgenomen worden binnen de vier maanden na de geboorte.

Daarnaast kan ook de zelfstandige die zijn zaak moeilijk tien dagen in de steek kan laten, toch van de regeling genieten. De vaders of meeouders kunnen namelijk ook kiezen voor acht dagen verlof, aangevuld met vijftien gratis dienstencheques.

Aan onderstaande voorwaarden dient te worden voldaan:         

  • de sociale bijdragen voor de twee kwartalen voorafgaand aan het kwartaal van de geboorte dienen betaald of vrijgesteld te zijn;          
  • enkel mogelijk voor zelfstandigen in hoofdberoep en meewerkende echtgenoten;        
  • enkel voor kinderen waarvan de wettelijke afstamming vaststaat, of waarvan de vader of meeouder inwoont bij de persoon van wie de afstamming vaststaat en bij wie het kind woont. Indien de afstamming niet vaststaat door feitelijke samenwoning, moet men op datum van de geboorte minstens drie jaar samenwonen.

Mocht je hierop aanspraak willen maken, dan dient de aanvraag ten laatste op de laatste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal van de geboorte bij het sociaal verzekeringsfonds te gebeuren.

De kracht van QPS Accountants? Doordringen tot de kern van uw KMO en zorgen voor een helder inzicht.

Bekijk ook onze andere recente blogberichten en ontdek meer expertise

De dwingende bepalingen van het Wetboek Vennootschappen en Verenigingen

De dwingende bepalingen van het Wetboek Vennootschappen en Verenigingen

Op 1 mei 2019 trad het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) in werking. Indien uw vennootschap dateert van voor deze datum en u niet koos om uw vennootschap reeds aan te passen aan de nieuwe wetgeving, dient u vanaf 1 januari 2020 rekening te houden met de dwingende bepalingen van dit wetboek. Statutaire bepalingen die in strijd zijn met deze dwingende regelgeving worden voor “niet-geschreven” gehouden. Hieronder vindt u enkele voorbeelden.

Vergeet ook voor 2019 uw minimumbezoldiging als bedrijfsleider niet!

Vergeet ook voor 2019 uw minimumbezoldiging als bedrijfsleider niet!

Sinds 2018 dient iedere kleine vennootschap gedurende het boekjaar aan minstens één bedrijfsleider (natuurlijke persoon) minstens 45.000 euro bruto bezoldiging toe te kennen om van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting te genieten. Als het resultaat van de vennootschap kleiner is dan 45.000 euro dient de bruto bezoldiging minimaal gelijk te zijn aan het belastbaar resultaat.